|
Van anders
naar minder
Bespreking van Inge Mans (1998). Zin der Zotheid. Vijf eeuwen
cultuurgeschiedenis van zotten, onnozelen en zwakzinnigen. Amsterdam:
Bert Bakker, 416 p. Eerder verschenen in Psychologie
& Maatschappij, 85, 1998.
Theo Verheggen
Idioten,
debielen, narren, zotten, gekken; ze zijn er altijd geweest. Of
niet? In een lijvige publicatie problematiseert Inge Mans de stelling
dat zwakken van zin altijd al hebben bestaan. Daartoe reconstrueert
zij op boeiende wijze de opmerkelijke geschiedenis van vijfhonderd
jaar definiëring, omgang, zorg en beeldvorming rond allerhande onnozelen.
Al
vroeg in het boek laat Mans zien dat er door de eeuwen heen steeds
twee categorieën zotten worden onderscheiden: simpelen die `zo geboren'
zijn en `bezeten' dwazen die zo geworden zijn. In moderne termen
zou men in het eerste geval kunnen spreken van zwakzinnigen en in
het tweede van krankzinnigen. Mans waarschuwt echter voorzichtig
te zijn met deze conclusie. In vroeger tijden was, getuige de vele
verschillende benamingen voor allerhande idioten, het onderscheid
tussen beide categorieën lang niet altijd helder.
Na
een korte verkenning van de Klassieke Oudheid vangt de studie eigenlijk
pas echt aan in de Middeleeuwen, eenvoudigweg omdat uit deze periode
veel meer bronnenmateriaal voorhanden is. Zotten maakten destijds
volop deel uit van het alledaagse leven. Vaak namen ze een gewaardeerde
positie in op grond van hun soms opmerkelijke muzikale kwaliteiten,
scherpe waarheidsprekerij of hun vermogen om anderen te amuseren
met streken en idioterieën. Bekend is de figuur van de hofnar die
in al zijn simpelheid en onschuld de burgers hun eigen onnozelheid
kon voorhouden. Een enkele keer werden zotten daarom tot hele of
halve heiligen verklaard. Maar ook op tegengestelde gronden kon
aan idioten een niet-menselijke natuur worden toegekend, zoals aan
de zogenaamde wisselkinderen. De duivel zou het mensenkind in een
onbewaakt ogenblik hebben vervangen door zijn eigen kroost. Volgens
weer anderen leden zotten aan een ongeneeslijke ziekte of waren
ze de straf voor onzedelijk gedrag van de ouders. Zowel veroordeling
als verering waren dus hun deel.
De
geschiedenis van de zorg voor zwakken van geest kent een vergelijkbare
ambiguïteit. Deze schommelt voortdurend tussen liefde en tucht.
In de Antieke Wereld was al sprake van enige idiotenopvang. Vanaf
de Middeleeuwen ontfermen de belijders van christelijke armenliefde,
kloosters, sommige steden, gast- en kosthuizen, en niet in de laatste
plaats familieleden zich over de idiote medemens. De (gast)gezinnen
profiteerden niet alleen van verrichte arbeid door de zotte kostganger,
maar wisten zich meestal ook verzekerd van een financiële vergoeding
voor de geboden zorg. De onnozelen die in gasthuizen terechtkwamen,
bevonden zich in de regel temidden van een bonte verzameling landlopers,
goochelaars, demente bejaarden en lepralijders. Maar behalve zorg
kon de zotten in alle genoemde gevallen ook brute opsluiting ten
deel vallen. Vooral in de dolhuizen was dit een gangbare wijze van
`opvang'.
Pas
in de zeventiende eeuw is er sprake van zogenaamde verbeterhuizen.
Hier kwamen veelal de idioten uit de welgestelde kringen terecht,
voor een discrete opberging. Als er al sprake was van verbetering
in termen van inkeer en `beterschap van leven', dan lag dat eerder
aan de verschrikkingen van de opsluiting dan aan de geboden zorg.
Toch kan men, voorzover het de Nederlandse situatie betreft, in
deze periode niet spreken van een `grote opsluiting' waarvan Foucault
gewaagt. Uit humanitaire overwegingen werden volgens hem in de zeventiende
en achttiende eeuw `redelozen' ~ waartoe hij krankzinnigen, misdadigers
en andere sociaal onaangepaste lieden rekent ~ op grote schaal opgesloten.
Hier te lande werden zotten echter tot ver in de vorige eeuw voornamelijk
thuis of in kostgezinnen verzorgd, zo betoogt Mans.
Een
derde kwestie waaruit een dubbele houding ten aanzien van idioten
blijkt, betreft hun opvoedbaarheid. De zeventiende-eeuwse, Engelse
filosoof Locke meende dat onnozelen onverbeterbaar waren en, vanwege
hun zwakke of geheel ontbrekende rede, niet `des mensens'. Rond
1800 leek de Franse arts Itard het ongelijk van Locke aan te tonen.
Welhaast per toeval kreeg Itard de voogdij toegewezen over de `Wilde
van Aveyron'. Itard was ervan overtuigd dat de jongen idioot was
geworden omdat het hem had ontbroken aan een geciviliseerde
opvoeding. Zijn pogingen om Victor door training alsnog tot een
volwaardig mens te maken mislukten echter. Itard verloor alle hoop
in de mogelijkheid idioten op te voeden. In werkelijkheid had hij
echter pionierswerk verricht. Edouard Séguin zette de arbeid van
Itard voort maar bekritiseerde de eenzijdige gerichtheid van zijn
leermeester op zintuiglijke training. In zijn ogen was idiotie vóór
alles een moreel defect; de idioot zou lijden aan wilszwakte. Séguin
ontwikkelde een redelijk succesvol opvoedingsprogramma waarin allereerst
lichamelijke en zindelijkheidstraining werd gegeven. In een later
stadium volgde hersengymnastiek in de vorm van leren lezen en schrijven.
Het uiteindelijk doel was idioten geschikt te maken voor het verrichten
van nuttige arbeid. De idioot wil niets en daarom wordt hem de wil
van de opvoeder opgelegd, zo luidde S´guins devies.
Rond
1850 ontstond in de ons omringende landen de eerste, enigszins deskundige
zorg voor idioten in reeds bestaande geneeskundige gestichten. Soms
was de aanpak zó succesvol dat men de grote instroom nauwelijks
aankon. Doelstelling was het `beter' maken van de geesteszwakken
door het aanbieden van rust, regelmaat, speciaal onderwijs en desnoods
dwang. In Nederland werd omstreeks 1856 in Den Haag de eerste inrichting
geopend. De leiding was in handen van de hervormde predikant C.E.
van Koetsveld. In zekere zin was hij een volgeling van Séguin: de
idioot lijdt vóór alles aan wilszwakte. Zijn methode was er echter
veel meer één van laissez faire. De nadruk lag op het gezellige
(dat wil zeggen sociale) leven binnen de instelling.
Weliswaar
verbleven idioten niet langer in dol- en armenhuizen, sanatoria
of zelfs gevangenissen maar in de geneeskundige inrichtingen leefden
ze nog steeds tussen dementen, epileptici en krankzinnigen. De eerste
aparte zwakzinnigeninrichtingen werden in Nederland rond 1900 in
het leven geroepen. Dat is laat in vergelijking met bijvoorbeeld
Duitsland en Groot-Brittannië. De belangrijkste katalysator was
de krankzinnigenwet van 1904 die het ook andere instellingen, zoals
de katholieke liefdegestichten en huizen van barmhartigheid, mogelijk
maakte om erkende zorg te bieden aan `zwakzinnigen' (sinds 1900
een verzamelnaam voor idioten, imbecielen en debielen). In de tehuizen
boden spel en met name arbeid weldadige afleiding én therapie. Bovendien
kon de arbeid ten nutte worden gemaakt van de maatschappij of de
inrichting zelf.
Een
heel andere `methode' om met het zwakzinnigenvraagstuk om te gaan,
komt aan bod in het hoofdstuk over eugenetica. Hier schetst Mans
het beeld van wetenschappers die ten strijde trokken tegen het woekerende,
inferieure kiemplasma. Het welzijn van de samenleving werd volgens
hen bedreigd door het relatief hoge voortplantingspeil van dommen
en armen. Idioten golden bij uitstek als het treurige eindresultaat
van deze degeneratie van de geslachten. In de jaren twintig en dertig
van deze eeuw was de eugenetica bijzonder populair in de Verenigde
Staten en Groot-Brittannië. Men meende er erfelijk geachte aandoeningen
als pauperisme, alcoholisme, epilepsie en zwakzinnigheid mee te
kunnen voorkomen. De meest gruwelijke uitwassen van dit gedachtegoed
werden gepraktiseerd in Nazi-Duitsland. Hier ging het in feite om
rasveredeling en niet langer om het voorkómen van genetische ontaarding.
Hoewel eugenitici in Nederland zich distantieerden van de Duitse
praktijken, kon de discipline zich met name tijdens de crisisjaren
verheugen in een groeiende belangstelling. Die nam na de Tweede
Wereldoorlog gaandeweg af vanwege de betere economische en hygiënische
omstandigheden en, anderzijds, een beter inzicht in erfelijke aandoeningen.
In het verlengde van het eugeneticadebat plaatst Mans zeer kritische
noten bij de mogelijkheden van de moderne genetica: wordt het voorkómen
van zwakzinnig geborenen niet juist tot een morele plicht gemaakt?
De
afsluitende hoofdstukken maken inzichtelijk dat een toenemende pedagogisering
(de opkomst van aparte scholen voor geesteszwakken) en professionalisering
van de zwakzinnigenzorg segregatie en stigmatisering in de hand
hebben gewerkt. Zij die niet kunnen meekomen op de `normale' scholen
of in een maatschappij die steeds hogere eisen stelt aan de autonomie
en de intellectuele vermogens van individuen, lopen het risico als
idioot, debiel of imbeciel bestempeld te worden. Sinds een aantal
jaren is het etiket `zwakzinnigen' verruild voor `mensen met een
verstandelijk handicap'. Hierdoor staat de menselijkheid weer op
de voorgrond. Anderzijds echter blijft de connotatie van gebrekkigheid
of tekortkoming aanwezig. Waren zotten vroeger `anders', heden ten
dage overheerst nog steeds het beeld van `mindere' mensen. Mans
betwijfelt of deze beeldvorming ooit zal veranderen. Voorlopig lijkt
daarmee ook het streven van de zwakzinnigenzorg naar een hernieuwde
volledige integratie van verstandelijk gehandicapten in de burgermaatschappij
vóór alles een mooi ideaal.
Zin
der Zotheid geeft een helder en kritisch beeld van de maatschappelijke
positie van zwakzinnigen, toen en nu. Naar eigen zeggen kon Mans
bij haar studie nauwelijks bogen op eerder onderzoek. Dat zal de
belangrijkste reden zijn waarom Foucault eigenlijk de enige auteur
is met wie Mans echt in discussie gaat. Helaas blijven hierbij duidelijke
antwoorden op twee belangrijke vragen die ze zelf stelt achterwege:
had de 'grote opsluiting' wel betrekking op zwakzinnigen? En is
in de twintigste eeuw niet alsnog sprake van grootschalige opsluiting
van zwakzinnigen in Nederlandse inrichtingen? Dit neemt niet weg
dat het boek uitstekend gedocumenteerd is; het is rijk geïllustreerd
en bij vlagen prachtig geschreven. Daarmee is deze studie een aanwinst
voor zowel de geschiedschrijving als voor de beeldvorming van `mensen
met een verstandelijk handicap'. De elf hoofdstukken kregen soms
schitterende gedichten of motto's mee, geschreven door de mensen
waarover het boek gaat: `Zelfs deze jongedame kan het krijgen, dat
je een ongeluk krijgt en dat je dan gestoord wordt. Een heel normaal
mens kan dat worden. Het ligt gewoon in een hoekie.' Wie vraagt
zich dan nog af of zotheid zin heeft?
|