NCPG
   Paul Voestermans
   Cor Baerveldt
   Theo Verheggen
   Harry Kempen
   ISTP Calgary
   Dialogical Self
   ISTP Sydney
   ISTP Berlin
   ESHHS Berlin
 
 

Van anders naar minder
Bespreking van Inge Mans (1998). Zin der Zotheid. Vijf eeuwen cultuurgeschiedenis van zotten, onnozelen en zwakzinnigen. Amsterdam: Bert Bakker, 416 p. Eerder verschenen in Psychologie & Maatschappij, 85, 1998.
Theo Verheggen

Idioten, debielen, narren, zotten, gekken; ze zijn er altijd geweest. Of niet? In een lijvige publicatie problematiseert Inge Mans de stelling dat zwakken van zin altijd al hebben bestaan. Daartoe reconstrueert zij op boeiende wijze de opmerkelijke geschiedenis van vijfhonderd jaar definiëring, omgang, zorg en beeldvorming rond allerhande onnozelen.

Al vroeg in het boek laat Mans zien dat er door de eeuwen heen steeds twee categorieën zotten worden onderscheiden: simpelen die `zo geboren' zijn en `bezeten' dwazen die zo geworden zijn. In moderne termen zou men in het eerste geval kunnen spreken van zwakzinnigen en in het tweede van krankzinnigen. Mans waarschuwt echter voorzichtig te zijn met deze conclusie. In vroeger tijden was, getuige de vele verschillende benamingen voor allerhande idioten, het onderscheid tussen beide categorieën lang niet altijd helder.

Na een korte verkenning van de Klassieke Oudheid vangt de studie eigenlijk pas echt aan in de Middeleeuwen, eenvoudigweg omdat uit deze periode veel meer bronnenmateriaal voorhanden is. Zotten maakten destijds volop deel uit van het alledaagse leven. Vaak namen ze een gewaardeerde positie in op grond van hun soms opmerkelijke muzikale kwaliteiten, scherpe waarheidsprekerij of hun vermogen om anderen te amuseren met streken en idioterieën. Bekend is de figuur van de hofnar die in al zijn simpelheid en onschuld de burgers hun eigen onnozelheid kon voorhouden. Een enkele keer werden zotten daarom tot hele of halve heiligen verklaard. Maar ook op tegengestelde gronden kon aan idioten een niet-menselijke natuur worden toegekend, zoals aan de zogenaamde wisselkinderen. De duivel zou het mensenkind in een onbewaakt ogenblik hebben vervangen door zijn eigen kroost. Volgens weer anderen leden zotten aan een ongeneeslijke ziekte of waren ze de straf voor onzedelijk gedrag van de ouders. Zowel veroordeling als verering waren dus hun deel.

De geschiedenis van de zorg voor zwakken van geest kent een vergelijkbare ambiguïteit. Deze schommelt voortdurend tussen liefde en tucht. In de Antieke Wereld was al sprake van enige idiotenopvang. Vanaf de Middeleeuwen ontfermen de belijders van christelijke armenliefde, kloosters, sommige steden, gast- en kosthuizen, en niet in de laatste plaats familieleden zich over de idiote medemens. De (gast)gezinnen profiteerden niet alleen van verrichte arbeid door de zotte kostganger, maar wisten zich meestal ook verzekerd van een financiële vergoeding voor de geboden zorg. De onnozelen die in gasthuizen terechtkwamen, bevonden zich in de regel temidden van een bonte verzameling landlopers, goochelaars, demente bejaarden en lepralijders. Maar behalve zorg kon de zotten in alle genoemde gevallen ook brute opsluiting ten deel vallen. Vooral in de dolhuizen was dit een gangbare wijze van `opvang'.

Pas in de zeventiende eeuw is er sprake van zogenaamde verbeterhuizen. Hier kwamen veelal de idioten uit de welgestelde kringen terecht, voor een discrete opberging. Als er al sprake was van verbetering in termen van inkeer en `beterschap van leven', dan lag dat eerder aan de verschrikkingen van de opsluiting dan aan de geboden zorg. Toch kan men, voorzover het de Nederlandse situatie betreft, in deze periode niet spreken van een `grote opsluiting' waarvan Foucault gewaagt. Uit humanitaire overwegingen werden volgens hem in de zeventiende en achttiende eeuw `redelozen' ~ waartoe hij krankzinnigen, misdadigers en andere sociaal onaangepaste lieden rekent ~ op grote schaal opgesloten. Hier te lande werden zotten echter tot ver in de vorige eeuw voornamelijk thuis of in kostgezinnen verzorgd, zo betoogt Mans.

Een derde kwestie waaruit een dubbele houding ten aanzien van idioten blijkt, betreft hun opvoedbaarheid. De zeventiende-eeuwse, Engelse filosoof Locke meende dat onnozelen onverbeterbaar waren en, vanwege hun zwakke of geheel ontbrekende rede, niet `des mensens'. Rond 1800 leek de Franse arts Itard het ongelijk van Locke aan te tonen. Welhaast per toeval kreeg Itard de voogdij toegewezen over de `Wilde van Aveyron'. Itard was ervan overtuigd dat de jongen idioot was geworden omdat het hem had ontbroken aan een geciviliseerde opvoeding. Zijn pogingen om Victor door training alsnog tot een volwaardig mens te maken mislukten echter. Itard verloor alle hoop in de mogelijkheid idioten op te voeden. In werkelijkheid had hij echter pionierswerk verricht. Edouard Séguin zette de arbeid van Itard voort maar bekritiseerde de eenzijdige gerichtheid van zijn leermeester op zintuiglijke training. In zijn ogen was idiotie vóór alles een moreel defect; de idioot zou lijden aan wilszwakte. Séguin ontwikkelde een redelijk succesvol opvoedingsprogramma waarin allereerst lichamelijke en zindelijkheidstraining werd gegeven. In een later stadium volgde hersengymnastiek in de vorm van leren lezen en schrijven. Het uiteindelijk doel was idioten geschikt te maken voor het verrichten van nuttige arbeid. De idioot wil niets en daarom wordt hem de wil van de opvoeder opgelegd, zo luidde S´guins devies.

Rond 1850 ontstond in de ons omringende landen de eerste, enigszins deskundige zorg voor idioten in reeds bestaande geneeskundige gestichten. Soms was de aanpak zó succesvol dat men de grote instroom nauwelijks aankon. Doelstelling was het `beter' maken van de geesteszwakken door het aanbieden van rust, regelmaat, speciaal onderwijs en desnoods dwang. In Nederland werd omstreeks 1856 in Den Haag de eerste inrichting geopend. De leiding was in handen van de hervormde predikant C.E. van Koetsveld. In zekere zin was hij een volgeling van Séguin: de idioot lijdt vóór alles aan wilszwakte. Zijn methode was er echter veel meer één van laissez faire. De nadruk lag op het gezellige (dat wil zeggen sociale) leven binnen de instelling.

Weliswaar verbleven idioten niet langer in dol- en armenhuizen, sanatoria of zelfs gevangenissen maar in de geneeskundige inrichtingen leefden ze nog steeds tussen dementen, epileptici en krankzinnigen. De eerste aparte zwakzinnigeninrichtingen werden in Nederland rond 1900 in het leven geroepen. Dat is laat in vergelijking met bijvoorbeeld Duitsland en Groot-Brittannië. De belangrijkste katalysator was de krankzinnigenwet van 1904 die het ook andere instellingen, zoals de katholieke liefdegestichten en huizen van barmhartigheid, mogelijk maakte om erkende zorg te bieden aan `zwakzinnigen' (sinds 1900 een verzamelnaam voor idioten, imbecielen en debielen). In de tehuizen boden spel en met name arbeid weldadige afleiding én therapie. Bovendien kon de arbeid ten nutte worden gemaakt van de maatschappij of de inrichting zelf.

Een heel andere `methode' om met het zwakzinnigenvraagstuk om te gaan, komt aan bod in het hoofdstuk over eugenetica. Hier schetst Mans het beeld van wetenschappers die ten strijde trokken tegen het woekerende, inferieure kiemplasma. Het welzijn van de samenleving werd volgens hen bedreigd door het relatief hoge voortplantingspeil van dommen en armen. Idioten golden bij uitstek als het treurige eindresultaat van deze degeneratie van de geslachten. In de jaren twintig en dertig van deze eeuw was de eugenetica bijzonder populair in de Verenigde Staten en Groot-Brittannië. Men meende er erfelijk geachte aandoeningen als pauperisme, alcoholisme, epilepsie en zwakzinnigheid mee te kunnen voorkomen. De meest gruwelijke uitwassen van dit gedachtegoed werden gepraktiseerd in Nazi-Duitsland. Hier ging het in feite om rasveredeling en niet langer om het voorkómen van genetische ontaarding. Hoewel eugenitici in Nederland zich distantieerden van de Duitse praktijken, kon de discipline zich met name tijdens de crisisjaren verheugen in een groeiende belangstelling. Die nam na de Tweede Wereldoorlog gaandeweg af vanwege de betere economische en hygiënische omstandigheden en, anderzijds, een beter inzicht in erfelijke aandoeningen. In het verlengde van het eugeneticadebat plaatst Mans zeer kritische noten bij de mogelijkheden van de moderne genetica: wordt het voorkómen van zwakzinnig geborenen niet juist tot een morele plicht gemaakt?

De afsluitende hoofdstukken maken inzichtelijk dat een toenemende pedagogisering (de opkomst van aparte scholen voor geesteszwakken) en professionalisering van de zwakzinnigenzorg segregatie en stigmatisering in de hand hebben gewerkt. Zij die niet kunnen meekomen op de `normale' scholen of in een maatschappij die steeds hogere eisen stelt aan de autonomie en de intellectuele vermogens van individuen, lopen het risico als idioot, debiel of imbeciel bestempeld te worden. Sinds een aantal jaren is het etiket `zwakzinnigen' verruild voor `mensen met een verstandelijk handicap'. Hierdoor staat de menselijkheid weer op de voorgrond. Anderzijds echter blijft de connotatie van gebrekkigheid of tekortkoming aanwezig. Waren zotten vroeger `anders', heden ten dage overheerst nog steeds het beeld van `mindere' mensen. Mans betwijfelt of deze beeldvorming ooit zal veranderen. Voorlopig lijkt daarmee ook het streven van de zwakzinnigenzorg naar een hernieuwde volledige integratie van verstandelijk gehandicapten in de burgermaatschappij vóór alles een mooi ideaal.

Zin der Zotheid geeft een helder en kritisch beeld van de maatschappelijke positie van zwakzinnigen, toen en nu. Naar eigen zeggen kon Mans bij haar studie nauwelijks bogen op eerder onderzoek. Dat zal de belangrijkste reden zijn waarom Foucault eigenlijk de enige auteur is met wie Mans echt in discussie gaat. Helaas blijven hierbij duidelijke antwoorden op twee belangrijke vragen die ze zelf stelt achterwege: had de 'grote opsluiting' wel betrekking op zwakzinnigen? En is in de twintigste eeuw niet alsnog sprake van grootschalige opsluiting van zwakzinnigen in Nederlandse inrichtingen? Dit neemt niet weg dat het boek uitstekend gedocumenteerd is; het is rijk geïllustreerd en bij vlagen prachtig geschreven. Daarmee is deze studie een aanwinst voor zowel de geschiedschrijving als voor de beeldvorming van `mensen met een verstandelijk handicap'. De elf hoofdstukken kregen soms schitterende gedichten of motto's mee, geschreven door de mensen waarover het boek gaat: `Zelfs deze jongedame kan het krijgen, dat je een ongeluk krijgt en dat je dan gestoord wordt. Een heel normaal mens kan dat worden. Het ligt gewoon in een hoekie.' Wie vraagt zich dan nog af of zotheid zin heeft?


Last updated: August 2000
Maintained by Cor Baerveldt