NCPG
   Paul Voestermans
   Cor Baerveldt
   Theo Verheggen
   Harry Kempen
   ISTP Calgary
   Dialogical Self
   ISTP Sydney
   ISTP Berlin
   ESHHS Berlin
 
 

De McRoes-belevenis
Eerder verschenen in Psychologie & Maatschappij, 84, 1998
Themanummer: De Roes
Theo Verheggen

De moderne mens is verslaafd aan ervaring. Hij is belust op sensaties. Hij accumuleert belevenissen. Hij verwerft ervaringskapitaal: in ontdekkingstochten, avonturen, in erotiek, toerisme, sport, in snelheidsmachines, verdovende middelen, relaties, zelfontplooiing, therapie, consumptie. Wellicht onder druk van de snelheid van de technologische wereld, zoekt hij naar steeds sterkere en steeds meer afwisselende prikkels. Men zou er een woord voor kunnen bedenken: de 'verheviging'. (De Cauter, 1995, pp. 7-8)

Er is nauwelijks een prikkel denkbaar die ongeschikt is om de mens in een roes te brengen. Friedrich Nietzsche stelde een hele lijst roesbrengers samen. Als eerste noemde hij de roes van de seksuele opwinding, die hij kenmerkt als de oudste en meest oorspronkelijke vorm, vervolgens de roes van het feest, van de wedkamp, van het bravourestuk, van de overwinning en van de wreedheid, om na de roes onder invloed van narcotica te besluiten met die 'van een gezwollen, gebalde wil' (1983, p. 155). Tijdens de roes is het leven intenser en zijn de ervaringen rijker:

'Het wezenlijke van de roes is het gevoel van krachtsvermeerdering en volheid. Vanuit dit gevoel sta je aan de dingen af, je dwingt ze van het jouwe te nemen, je doet ze geweld aan ~ men noemt dit proces idealiseren. Laten wij ons hier van een vooroordeel losmaken; het idealiseren bestaat er niet uit, zoals gemeenlijk wordt aangenomen, het kleine, het bijkomstige af te trekken of weg te denken. Een geweldig releveren van de hoofdtrekken is veeleer het beslissende, zodat de andere daarbij in het niet verzinken' (ibid.).

Nietzsche volgt hier nauw zijn 'leermeester' Arthur Schopenhauer. Deze kenschetst de roes als een toestand die 'de levendigheid van de voorstellingen verhoogt, het abstracte denken daarentegen verzwakt, terwijl de energie van de (irrationele) Wil zich verhevigt' (1989, III, p. 626). De twee denkers zijn het er ook over eens dat zonder roeservaring weinig van de kunst terechtkomt. De kunstenaar bezit van nature een teveel aan leven en weet er zo mee om te gaan dat het hem niet uitput, aldus Nietzsche. Kunst is een krachtige omarming van de volheid van het leven. Met die laatste stelling keert hij zich echter af van Schopenhauer, voor wie de kunst juist een brug naar het ontkennen van het leven is.

Voor de beide denkers is de roesbrengende passie wezenlijk menselijk. In zijn magnum opus uit 1912 over de grondvormen van het religieuze leven (Les formes élémentaires de la vie religieuse) maakt de Franse socioloog Émile Durkheim een vergelijkbare beweging¹. In de extase of de roes (welke twee termen ik vanaf hier voor het gemak als synoniemen zal gebruiken) lokaliseert hij de geboorte van het religieuze leven en van de samenleving in het algemeen. In de primitieve culturen van Australië, waarop Durkheim zijn theorie baseert, wordt die roes geëvoceerd in heftige rituelen waarbij het bloed letterlijk vloeit. In een 'elektrische' cocktail van extatische dans en muziek, geritualiseerde maar heftige gevechten, orgieën, automutilatie en het gebruik van geestverruimende stoffen, gaan rillingen en emoties letterlijk door merg en been. Hallucineren, verlies van tijd- en ruimtebesef en van individualiteit zijn kenmerkend voor deze toestand. De overweldigende ervaringen die de uitzinnige massa bij de leden van de clan oproept, zijn oneindig veel intenser dan de 'dagelijkse' ervaringen. Hierdoor krijgt het clanlid het gevoel dat ze van een hogere, heilige werkelijkheid afkomstig zijn. Om deze buitengewone ervaringen te communiceren, moeten ze geobjectiveerd worden. Aldus kent men in de collectieve roes, oftewel effervescence, uitzonderlijke waarden toe aan doodnormale dingen als stenen, planten en dieren. Zij worden de dragers van de overdonderende sensaties. De leden van de clan creëren zo bij uitstek in de collectieve extase ~ waarin ze zelf daadwerkelijk in een andere, hogere werkelijkheid verkeren ~ hun heiligen, symbolen, wetten en identiteiten. Bovendien versterkt de rituele hysterie de band tussen de clanleden: effervescence ondermijnt de solidariteit niet, ze smeedt deze juist. Hiermee leverde Durkheim fundamentele kritiek op het ideaal van de moderniteit om oorspong en ijkpunt van het samenleven in de rationaliteit te funderen (Mestrovic, 1991). Aan de wortel van cultuur staat volgens Durkheim de roes.

Mens noch maatschappij kan dus zonder roes, zo lijkt het. Volgens sommigen is het individuele streven daarnaar net zo'n wezenlijke drijfveer als seks, dorst en honger (Ossebaard, 1996, p. 10). Toch is de psychologische belangstelling voor de roes nooit erg groot geweest. De vroege experimenten van James (lachgas) en Freud (cocaïne) vormen een uitzondering op deze regel (zie Ossebaard, in dit nummer). Kunstenaars en schrijvers als Théophile Gautier, Charles Baudelaire en Aldous Huxley daarentegen experimenteerden veelvuldig met roesmiddelen (zie Ten Berge, in dit nummer). Hetzelfde geldt voor de literator-filosoof Walter Benjamin. Hij beproefde de werking van hasjiesj en opium en wijdde beschouwingen aan de roes tegen de achtergrond van de moderniteit. In wat volgt, staat Benjamins opmerkelijke visie centraal.

De roes en de shockbeleving van de moderniteit
De 'moderne ervaring' is de beleving van de shock, aldus Benjamin (1982). Deze is het gevolg van een overdaad aan informatie en sensaties waaraan de moderne mens voortdurend wordt blootgesteld. Deze talloze indrukken kunnen niet beklijven omdat het de mens ontbreekt aan een kader. Vroeger werd dat kader gevormd door verhalen en andere uitingen van het collectieve verleden (Boomkens 1994, p. 73). De overstimulatie die het gevolg is van de vele, vluchtige prikkels en indrukken leidt tot een erosie van de rijke ervaring. Om het verschil aan te geven tussen deze 'moderne', contextloze impressies en de verankerde ervaringen van weleer, spreekt Benjamin in het eerste geval van 'belevenissen' [Erlebnisse]; indrukken die zich niet meer tot ervaringen kunnen uitkristalliseren.

Volgens Benjamin is het de overdaad aan belevenissen ~ en juist niet een tekort aan zintuiglijke prikkels ~ die zorgt voor de ervaringsarmoede die typerend is voor de 'grootstadsmens'. In zijn tijd was hiervoor onder meer de massale intrede van krant, telefoon en fotocamera verantwoordelijk. Als gevolg van deze voortdurende overstimulatie verkeert de moderne mens constant in een verdovingsroes. Benjamin duidt deze krachtig aan als 'shock'. Zijn analyse heeft hier iets opmerkelijks ~ bijna aandoenlijks. Hij spreekt al over een narcotiserende information overload in zijn 'analoge' tijd. Als we Benjamins argument volgen, dan halen de genoemde informatiekanalen het bij lange na niet bij de shock die de digitale snelweg heden ten dage welhaast moet induceren.

Volgens Benjamin bestaat er dus een verband tussen ervaringsarmoede en roes. Het teveel aan vrijblijvende indrukken leidt tot een psychologische bolstering in de vorm van een voortdurende narcose. Benjamin ontdekt hierin de roes van de snelheid en de veelheid. De Belgische filosoof Lieven de Cauter (1995) verwoordt het als volgt:

'De moderne extase is een buiten zichzelf zijn in de veelheid, de massa, de snelheid, het vluchtige, de onophoudelijke stroom van tekens, prikkels, "kicks". (...) De druk die van het moderne leven uitgaat, de "stress", de haast, de jachtigheid en de rusteloosheid worden in de structuur van de lustbeleving opgenomen. De bedwelmende stimuli van het hectische vormen een antwoord op de grondtoon van het moderne levensgevoel: de betekenisloosheid, de leegte, de verveling.' (p. 57-58)

In een poging om aan deze roes te ontsnappen en te komen tot verlichting, tot het vullen van de leegte en het terugwinnen van de betekenisvolle ervaring, zoekt Benjamin opnieuw de bedwelming. In dit geval is dat echter de bedwelming van de vertraging welke hij hoopt te vinden in opium en hasjiesj. Deze, wat Benjamin noemt, 'profane verlichting' is niet 'een afscheid van de schijnwereld van de aardse lichamelijkheid en een terugkeer naar de hogere sferen van de geest (...) maar veeleer omgekeerd een terugkeer, een "verzinking" in die aardse lichamelijkheid, en een afscheid van de abstracties van de geest.' (De Cauter, 1995, p. 80). Dit doet opmerkelijk sterk denken aan de eerder weergegeven schildering van Nietzsche.

Opvallend is dat bij Benjamin zowel het ritme van de moderniteit (gekenmerkt door leegte, snelheid, veelheid en overstimulatie) als de poging hieraan te ontsnappen tot een roes leidt, al is de eerste er een van verheviging en de tweede van vertraging. Net als voor de leden van de notoire Club de Hachichins² zijn drugs voor Benjamin de poort naar de verloren ervaringen.

Ervaringsarmoede, gevoelsarmoede en verdoving
Hoewel de beschouwingen van Benjamin al ruim een halve eeuw oud zijn, lijken ze nog steeds geldig. Als er al zoiets bestaat als een 'postmoderne ervaring', dan ligt zij eerder in het verlengde van Benjamins 'moderne ervaring' dan dat ze ertegen rebelleert. Het postmodernisme is in wezen immers een voortzetting van het modernisme en niet de geclaimde revolte, aldus de Amerikaanse socioloog Stjepan Mestrovic (1991, p. 21). In Charles Baudelaires en Walter Benjamins typeringen van de moderne grootstadsmens, respectievelijk als dandy en flaneur, staan apathie, ennui, emotionele armoede, decadentie en onbehagen centraal. De dandy cultiveert de pose of de stijl. De Cauter (1995, p. 198) typeert hem als iemand 'die wil afsteken tegenover de anonimiteit van de metropool maar zich tegelijkertijd in de massa [wil] verliezen; van de dandy kan men geen rechtlijnigheid verwachten, hij etapeert door zijn positiewisselingen en zijn paradoxaal gedrag.' Zowel de dandy als de flaneur moeten zich verhouden tot de kunstmatige omgeving van de metropool en tot het in alles doordringende publieke domein. Het zijn voyeurs die tegelijkertijd te allen tijde klaar zijn om gezien te worden.

Deze beschrijvingen karakteriseren treffend ook het huidige tijdvak, al hebben ze een aanvulling nodig. De Frankfurter Schule had een scherp oog voor de manipulatie, simulatie en reproductie van objecten en kennis. Ze heeft echter over het hoofd gezien dat in de cultuurindustrie (een term van Adorno en Horkheimer) zelfs gevoelens gerationaliseerd worden (Mestrovic, 1997, p. 3). In de consumptiemaatschappij worden onze emoties gemanipuleerd en voorverpakt in de vorm van McDonalds' 'Happy Meal', 'fun shopping' of 'love drugs'. Via de media of via middelengebruik kunnen we op gezette tijden kiezen wat we voelen willen. Het is maar de vraag in hoeverre het nog gaat om authentieke gevoelens. Mestrovic laat wat dat betreft niets aan duidelijkheid te wensen over: de postmoderne euforie, liefde, haat, opluchting of treurnis is gesimuleerd, kitsch, dood.

Wat geldt voor de ervaring ~ namelijk dat ze zich 'als kick heeft afgezonderd van het leven, van elke waardegebondenheid, van elke betekenis' (De Cauter 1995, p. 249) en dat de beleving een doel op zich is geworden ~ geldt ook voor het gevoel. Om te voorkomen dat dit opvallende verschijnsel, waarvoor men de term 'gevoelsarmoede' zou kunnen gebruiken, over het hoofd wordt gezien, is het volgens Mestrovic noodzakelijk het een aparte plaats te geven naast ervaringsarmoede.

Een vraag die voor ons hier relevant is maar zich moeilijk laat beantwoorden, is of men ook nu, net als Benjamin, de narcotiserende roes van de gemanipuleerde belevenissen zoekt te compenseren middels een bedwelmende vertragingsstrategie. Roesmiddelen zijn op steeds grotere schaal voor een breed publiek beschikbaar, wat overigens niet impliceert dat het gebruik daarvan is toegenomen. Naast alcohol, tabak en marihuana is de populariteit van XTC, speed, coke, lachgas en poppers³ opmerkelijk. Het lanceereffect dat deze drugs op hun gebruikers hebben, kan echter nauwelijks 'vertragend' genoemd worden. Weliswaar gaat het besef van tijd meestal verloren, maar het succes van de roes lijkt in eerste instantie te liggen in de 'verheviging'. Deze roeszoekers jagen de kick na en niet de uit intellectuele overwegingen gezochte bedwelming van Benjamin. Misschien moet de vergelijking hier ook ophouden. Het publieke domein breidt zich uit over de roesmiddelenmarkt. De massa zoekt echter niet naar de kristallisering van belevenissen tot ervaringen. Ze jaagt de vrolijke extase na want ze wil vooral lachen in een act van spot en met name zelfspot (Boomkens, 1994, p. 89-90). In dat perspectief is Mestrovics these van belang en krijgen het lachen, de love drugs en de party pillen een bijzondere betekenis. Maar niet alleen de leegte van verzelfstandigde belevingen, ook die van verzelfstandigde emoties moet gevuld worden. Om het anders te zeggen, naast de ervaringsverdoving van het zappen dreigt de gevoelsnarcose van het poppen. De McRoes van de XTC-pil is dan tijdelijk de volmaakte remedie.

Over de bijdragen
Zie Psychologie & Maatschappij, 84, 1998

Literatuur
Benjamin, W. (1982). Gesammelte Schriften, Band V. Frankfurt am Main: Suhrkamp.
Boomkens, R. (1994). Kritische massa. Amsterdam: Van Gennep. Campen, C. van (1996) Gedrogeerde deuren van de waarneming. Psychologie & Maatschappij, 20, 374-387.
Cauter, L., de (1995). Archeologie van de kick. Amsterdam: De Balie.
Durkheim, E. (1995[1912]). The elementary forms of religious life, vertaald door Karen E. Fields. New York: The Free Press.
Mestrovic, S.G. (1991) The coming fin de siècle. An application of Durkheim's sociology to modernity and postmodernism. London: Routledge.
Mestrovic, S.G. (1997). Postemotional Society. London: Sage.
Nietzsche, F. (1983). Afgodenschemering of hoe je met de hamer filosofeert. Bussum: Het Wereldvenster.
Ossebaard, H.C. (red.). (1996). Reis naar de roes. Utrecht: Universiteit Utrecht.
Schopenhauer, A. (1989). Sämmtliche Werke. Band III. Darmstadt: Wissenschaftliche Buchgesellschaft.

Noten
1 En niet toevallig, volgens Mestrovic (1991). Durkheims denken vertoont veel kenmerken van Schopenhaueriaanse filosofie. Ten onrechte is het werk van Durkheim nooit in het licht van een Schopenhaueriaans anti-Verlichtingsdenken bestudeerd, aldus Mestrovic.
2 Tot de Parijse Club des Hachichins behoorden onder andere de schrijvers Charles Baudelaire en Alexandre Dumas, dichter Théophile Gautier en schilder Boissard de Boisdenier. In de jaren 1845 en 1846 kwamen zij maandelijks bijeen om, onder toezicht van de doktoren Jacques Moreau en Louis Aubert-Roche, te experimenteren met hasjiesj (Van Campen, 1996).
3 Poppers zijn vluchtige stoffen die bij inademing de spieren verslappen en de bloedvaten verwijden. Binnen enkele seconden krijgt de gebruiker een duizelend high gevoel. Dit houdt enkele minuten aan. Poppers hebben een duidelijk stimulerend effect op de seksuele prestatie (Braam in Ossebaard, 1996, p. 98).


Last updated: August 2000
Maintained by Cor Baerveldt