|
De McRoes-belevenis
Eerder verschenen in Psychologie
& Maatschappij, 84, 1998
Themanummer:
De Roes
Theo Verheggen
De
moderne mens is verslaafd aan ervaring. Hij is belust op sensaties.
Hij accumuleert belevenissen. Hij verwerft ervaringskapitaal: in
ontdekkingstochten, avonturen, in erotiek, toerisme, sport, in snelheidsmachines,
verdovende middelen, relaties, zelfontplooiing, therapie, consumptie.
Wellicht onder druk van de snelheid van de technologische wereld,
zoekt hij naar steeds sterkere en steeds meer afwisselende prikkels.
Men zou er een woord voor kunnen bedenken: de 'verheviging'. (De
Cauter, 1995, pp. 7-8)
Er
is nauwelijks een prikkel denkbaar die ongeschikt is om de mens
in een roes te brengen. Friedrich Nietzsche stelde een hele lijst
roesbrengers samen. Als eerste noemde hij de roes van de seksuele
opwinding, die hij kenmerkt als de oudste en meest oorspronkelijke
vorm, vervolgens de roes van het feest, van de wedkamp, van het
bravourestuk, van de overwinning en van de wreedheid, om na de roes
onder invloed van narcotica te besluiten met die 'van een gezwollen,
gebalde wil' (1983, p. 155). Tijdens de roes is het leven intenser
en zijn de ervaringen rijker:
'Het wezenlijke
van de roes is het gevoel van krachtsvermeerdering en volheid.
Vanuit dit gevoel sta je aan de dingen af, je dwingt ze van het
jouwe te nemen, je doet ze geweld aan ~ men noemt dit proces idealiseren.
Laten wij ons hier van een vooroordeel losmaken; het idealiseren
bestaat er niet uit, zoals gemeenlijk wordt aangenomen, het kleine,
het bijkomstige af te trekken of weg te denken. Een geweldig releveren
van de hoofdtrekken is veeleer het beslissende, zodat de andere
daarbij in het niet verzinken' (ibid.).
Nietzsche
volgt hier nauw zijn 'leermeester' Arthur Schopenhauer. Deze kenschetst
de roes als een toestand die 'de levendigheid van de voorstellingen
verhoogt, het abstracte denken daarentegen verzwakt, terwijl de
energie van de (irrationele) Wil zich verhevigt' (1989, III, p.
626). De twee denkers zijn het er ook over eens dat zonder roeservaring
weinig van de kunst terechtkomt. De kunstenaar bezit van nature
een teveel aan leven en weet er zo mee om te gaan dat het hem niet
uitput, aldus Nietzsche. Kunst is een krachtige omarming van de
volheid van het leven. Met die laatste stelling keert hij zich echter
af van Schopenhauer, voor wie de kunst juist een brug naar het ontkennen
van het leven is.
Voor
de beide denkers is de roesbrengende passie wezenlijk menselijk.
In zijn magnum opus uit 1912 over de grondvormen van het religieuze
leven (Les formes élémentaires de la vie religieuse) maakt de Franse
socioloog Émile Durkheim een vergelijkbare beweging¹.
In de extase of de roes (welke twee termen ik vanaf hier voor het
gemak als synoniemen zal gebruiken) lokaliseert hij de geboorte
van het religieuze leven en van de samenleving in het algemeen.
In de primitieve culturen van Australië, waarop Durkheim zijn theorie
baseert, wordt die roes geëvoceerd in heftige rituelen waarbij het
bloed letterlijk vloeit. In een 'elektrische' cocktail van extatische
dans en muziek, geritualiseerde maar heftige gevechten, orgieën,
automutilatie en het gebruik van geestverruimende stoffen, gaan
rillingen en emoties letterlijk door merg en been. Hallucineren,
verlies van tijd- en ruimtebesef en van individualiteit zijn kenmerkend
voor deze toestand. De overweldigende ervaringen die de uitzinnige
massa bij de leden van de clan oproept, zijn oneindig veel intenser
dan de 'dagelijkse' ervaringen. Hierdoor krijgt het clanlid het
gevoel dat ze van een hogere, heilige werkelijkheid afkomstig zijn.
Om deze buitengewone ervaringen te communiceren, moeten ze geobjectiveerd
worden. Aldus kent men in de collectieve roes, oftewel effervescence,
uitzonderlijke waarden toe aan doodnormale dingen als stenen, planten
en dieren. Zij worden de dragers van de overdonderende sensaties.
De leden van de clan creëren zo bij uitstek in de collectieve extase
~ waarin ze zelf daadwerkelijk in een andere, hogere werkelijkheid
verkeren ~ hun heiligen, symbolen, wetten en identiteiten. Bovendien
versterkt de rituele hysterie de band tussen de clanleden: effervescence
ondermijnt de solidariteit niet, ze smeedt deze juist. Hiermee leverde
Durkheim fundamentele kritiek op het ideaal van de moderniteit om
oorspong en ijkpunt van het samenleven in de rationaliteit te funderen
(Mestrovic, 1991). Aan de wortel van cultuur staat volgens Durkheim
de roes.
Mens
noch maatschappij kan dus zonder roes, zo lijkt het. Volgens sommigen
is het individuele streven daarnaar net zo'n wezenlijke drijfveer
als seks, dorst en honger (Ossebaard, 1996, p. 10). Toch is de psychologische
belangstelling voor de roes nooit erg groot geweest. De vroege experimenten
van James (lachgas) en Freud (cocaïne) vormen een uitzondering op
deze regel (zie Ossebaard, in dit nummer). Kunstenaars en schrijvers
als Théophile Gautier, Charles Baudelaire en Aldous Huxley daarentegen
experimenteerden veelvuldig met roesmiddelen (zie Ten Berge, in
dit nummer). Hetzelfde geldt voor de literator-filosoof Walter Benjamin.
Hij beproefde de werking van hasjiesj en opium en wijdde beschouwingen
aan de roes tegen de achtergrond van de moderniteit. In wat volgt,
staat Benjamins opmerkelijke visie centraal.
De roes en
de shockbeleving van de moderniteit
De 'moderne ervaring' is de
beleving van de shock, aldus Benjamin (1982). Deze is het gevolg
van een overdaad aan informatie en sensaties waaraan de moderne
mens voortdurend wordt blootgesteld. Deze talloze indrukken kunnen
niet beklijven omdat het de mens ontbreekt aan een kader. Vroeger
werd dat kader gevormd door verhalen en andere uitingen van het
collectieve verleden (Boomkens 1994, p. 73). De overstimulatie die
het gevolg is van de vele, vluchtige prikkels en indrukken leidt
tot een erosie van de rijke ervaring. Om het verschil aan te geven
tussen deze 'moderne', contextloze impressies en de verankerde ervaringen
van weleer, spreekt Benjamin in het eerste geval van 'belevenissen'
[Erlebnisse]; indrukken die zich niet meer tot ervaringen kunnen
uitkristalliseren.
Volgens
Benjamin is het de overdaad aan belevenissen ~ en juist niet een
tekort aan zintuiglijke prikkels ~ die zorgt voor de ervaringsarmoede
die typerend is voor de 'grootstadsmens'. In zijn tijd was hiervoor
onder meer de massale intrede van krant, telefoon en fotocamera
verantwoordelijk. Als gevolg van deze voortdurende overstimulatie
verkeert de moderne mens constant in een verdovingsroes. Benjamin
duidt deze krachtig aan als 'shock'. Zijn analyse heeft hier iets
opmerkelijks ~ bijna aandoenlijks. Hij spreekt al over een narcotiserende
information overload in zijn 'analoge' tijd. Als we Benjamins argument
volgen, dan halen de genoemde informatiekanalen het bij lange na
niet bij de shock die de digitale snelweg heden ten dage welhaast
moet induceren.
Volgens
Benjamin bestaat er dus een verband tussen ervaringsarmoede en roes.
Het teveel aan vrijblijvende indrukken leidt tot een psychologische
bolstering in de vorm van een voortdurende narcose. Benjamin ontdekt
hierin de roes van de snelheid en de veelheid. De Belgische filosoof
Lieven de Cauter (1995) verwoordt het als volgt:
'De moderne
extase is een buiten zichzelf zijn in de veelheid, de massa, de
snelheid, het vluchtige, de onophoudelijke stroom van tekens,
prikkels, "kicks". (...) De druk die van het moderne leven uitgaat,
de "stress", de haast, de jachtigheid en de rusteloosheid worden
in de structuur van de lustbeleving opgenomen. De bedwelmende
stimuli van het hectische vormen een antwoord op de grondtoon
van het moderne levensgevoel: de betekenisloosheid, de leegte,
de verveling.' (p. 57-58)
In
een poging om aan deze roes te ontsnappen en te komen tot verlichting,
tot het vullen van de leegte en het terugwinnen van de betekenisvolle
ervaring, zoekt Benjamin opnieuw de bedwelming. In dit geval is
dat echter de bedwelming van de vertraging welke hij hoopt te vinden
in opium en hasjiesj. Deze, wat Benjamin noemt, 'profane verlichting'
is niet 'een afscheid van de schijnwereld van de aardse lichamelijkheid
en een terugkeer naar de hogere sferen van de geest (...) maar veeleer
omgekeerd een terugkeer, een "verzinking" in die aardse lichamelijkheid,
en een afscheid van de abstracties van de geest.' (De Cauter, 1995,
p. 80). Dit doet opmerkelijk sterk denken aan de eerder weergegeven
schildering van Nietzsche.
Opvallend
is dat bij Benjamin zowel het ritme van de moderniteit (gekenmerkt
door leegte, snelheid, veelheid en overstimulatie) als de poging
hieraan te ontsnappen tot een roes leidt, al is de eerste er een
van verheviging en de tweede van vertraging. Net als voor de leden
van de notoire Club de Hachichins²
zijn drugs voor Benjamin de poort naar de verloren ervaringen.
Ervaringsarmoede,
gevoelsarmoede en verdoving
Hoewel de beschouwingen van
Benjamin al ruim een halve eeuw oud zijn, lijken ze nog steeds geldig.
Als er al zoiets bestaat als een 'postmoderne ervaring', dan ligt
zij eerder in het verlengde van Benjamins 'moderne ervaring' dan
dat ze ertegen rebelleert. Het postmodernisme is in wezen immers
een voortzetting van het modernisme en niet de geclaimde revolte,
aldus de Amerikaanse socioloog Stjepan Mestrovic (1991, p. 21).
In Charles Baudelaires en Walter Benjamins typeringen van de moderne
grootstadsmens, respectievelijk als dandy en flaneur, staan apathie,
ennui, emotionele armoede, decadentie en onbehagen centraal. De
dandy cultiveert de pose of de stijl. De Cauter (1995, p. 198) typeert
hem als iemand 'die wil afsteken tegenover de anonimiteit van de
metropool maar zich tegelijkertijd in de massa [wil] verliezen;
van de dandy kan men geen rechtlijnigheid verwachten, hij etapeert
door zijn positiewisselingen en zijn paradoxaal gedrag.' Zowel de
dandy als de flaneur moeten zich verhouden tot de kunstmatige omgeving
van de metropool en tot het in alles doordringende publieke domein.
Het zijn voyeurs die tegelijkertijd te allen tijde klaar zijn om
gezien te worden.
Deze
beschrijvingen karakteriseren treffend ook het huidige tijdvak,
al hebben ze een aanvulling nodig. De Frankfurter Schule had een
scherp oog voor de manipulatie, simulatie en reproductie van objecten
en kennis. Ze heeft echter over het hoofd gezien dat in de cultuurindustrie
(een term van Adorno en Horkheimer) zelfs gevoelens gerationaliseerd
worden (Mestrovic, 1997, p. 3). In de consumptiemaatschappij worden
onze emoties gemanipuleerd en voorverpakt in de vorm van McDonalds'
'Happy Meal', 'fun shopping' of 'love drugs'. Via de media of via
middelengebruik kunnen we op gezette tijden kiezen wat we voelen
willen. Het is maar de vraag in hoeverre het nog gaat om authentieke
gevoelens. Mestrovic laat wat dat betreft niets aan duidelijkheid
te wensen over: de postmoderne euforie, liefde, haat, opluchting
of treurnis is gesimuleerd, kitsch, dood.
Wat
geldt voor de ervaring ~ namelijk dat ze zich 'als kick heeft afgezonderd
van het leven, van elke waardegebondenheid, van elke betekenis'
(De Cauter 1995, p. 249) en dat de beleving een doel op zich is
geworden ~ geldt ook voor het gevoel. Om te voorkomen dat dit opvallende
verschijnsel, waarvoor men de term 'gevoelsarmoede' zou kunnen gebruiken,
over het hoofd wordt gezien, is het volgens Mestrovic noodzakelijk
het een aparte plaats te geven naast ervaringsarmoede.
Een
vraag die voor ons hier relevant is maar zich moeilijk laat beantwoorden,
is of men ook nu, net als Benjamin, de narcotiserende roes van de
gemanipuleerde belevenissen zoekt te compenseren middels een bedwelmende
vertragingsstrategie. Roesmiddelen zijn op steeds grotere schaal
voor een breed publiek beschikbaar, wat overigens niet impliceert
dat het gebruik daarvan is toegenomen. Naast alcohol, tabak en marihuana
is de populariteit van XTC, speed, coke, lachgas en poppers³ opmerkelijk.
Het lanceereffect dat deze drugs op hun gebruikers hebben, kan echter
nauwelijks 'vertragend' genoemd worden. Weliswaar gaat het besef
van tijd meestal verloren, maar het succes van de roes lijkt in
eerste instantie te liggen in de 'verheviging'. Deze roeszoekers
jagen de kick na en niet de uit intellectuele overwegingen gezochte
bedwelming van Benjamin. Misschien moet de vergelijking hier ook
ophouden. Het publieke domein breidt zich uit over de roesmiddelenmarkt.
De massa zoekt echter niet naar de kristallisering van belevenissen
tot ervaringen. Ze jaagt de vrolijke extase na want ze wil vooral
lachen in een act van spot en met name zelfspot (Boomkens, 1994,
p. 89-90). In dat perspectief is Mestrovics these van belang en
krijgen het lachen, de love drugs en de party pillen een bijzondere
betekenis. Maar niet alleen de leegte van verzelfstandigde belevingen,
ook die van verzelfstandigde emoties moet gevuld worden. Om het
anders te zeggen, naast de ervaringsverdoving van het zappen dreigt
de gevoelsnarcose van het poppen. De McRoes van de XTC-pil is dan
tijdelijk de volmaakte remedie.
Over de bijdragen
Zie Psychologie
& Maatschappij, 84, 1998
Literatuur
Benjamin, W. (1982). Gesammelte Schriften, Band V. Frankfurt
am Main: Suhrkamp.
Boomkens, R. (1994). Kritische massa. Amsterdam: Van Gennep.
Campen, C. van (1996) Gedrogeerde deuren van de waarneming. Psychologie
& Maatschappij, 20, 374-387.
Cauter, L., de (1995). Archeologie van de kick. Amsterdam:
De Balie.
Durkheim, E. (1995[1912]). The elementary forms of religious
life, vertaald door Karen E. Fields. New York: The Free Press.
Mestrovic, S.G. (1991) The coming fin de siècle. An application
of Durkheim's sociology to modernity and postmodernism. London:
Routledge.
Mestrovic, S.G. (1997). Postemotional Society. London: Sage.
Nietzsche, F. (1983). Afgodenschemering of hoe je met de hamer
filosofeert. Bussum: Het Wereldvenster.
Ossebaard, H.C. (red.). (1996). Reis naar de roes. Utrecht:
Universiteit Utrecht.
Schopenhauer, A. (1989). Sämmtliche Werke. Band III. Darmstadt:
Wissenschaftliche Buchgesellschaft.
Noten
1 En niet toevallig, volgens
Mestrovic (1991). Durkheims denken vertoont veel kenmerken van Schopenhaueriaanse
filosofie. Ten onrechte is het werk van Durkheim nooit in het licht
van een Schopenhaueriaans anti-Verlichtingsdenken bestudeerd, aldus
Mestrovic.
2 Tot de Parijse Club des Hachichins behoorden
onder andere de schrijvers Charles Baudelaire en Alexandre Dumas,
dichter Théophile Gautier en schilder Boissard de Boisdenier. In
de jaren 1845 en 1846 kwamen zij maandelijks bijeen om, onder toezicht
van de doktoren Jacques Moreau en Louis Aubert-Roche, te experimenteren
met hasjiesj (Van Campen, 1996).
3 Poppers zijn vluchtige stoffen die bij inademing
de spieren verslappen en de bloedvaten verwijden. Binnen enkele
seconden krijgt de gebruiker een duizelend high gevoel. Dit houdt
enkele minuten aan. Poppers hebben een duidelijk stimulerend effect
op de seksuele prestatie (Braam in Ossebaard, 1996, p. 98).
|